woensdag 2 december 2020

Alles over Ambacht

24
dec

onder ede beroepen

 

Rond de jaarwisseling zijn er altijd weer gemengde gevoelens: over wat achter ons ligt in het afgelopen jaar, over wat er in het nieuwe jaar staat te gebeuren.
Over wat ons staat te gebeuren, zijn we ongewis. Maar wat met ons is gebeurd, daar wil ik het met u eens over hebben. Niet zo zeer over de dorpspolitiek in Ambacht, maar over de dorpscultuur. Dan ook niet over dorpspolitieke mores van Ambacht. Nee, ik wil het wat breder trekken en kijken naar sociale mores in Ambacht en de regio uit het verleden. Een column over (vergeten) beroepen, en over de "rommelpotterij".
 
Beroepen met eed aflegging
Het komende jaar staan Ambacht twee ingrijpende dingen te wachten: er komt een nieuwe Wet Werk en Bijstand (met de nodige uitvoeringsproblemen) én er komt een nieuwe burgemeester. Ik sta stil in deze column bij de burgemeester (of beter zijn voorganger, die de naam Schout of Ambachtsheer droeg). Burgemeesters van vroeger hadden veel meer bevoegdheden als het gaat om “P&O”.
Voor sommige beroepen moest je in het (verre) verleden de eed afleggen aan de burgemeester of aan het kerkbestuur. Ook voor beroepen met een lage sociale status. Ik weet dat ik gevaar loop als ik de regionale geschiedenis induik, omdat mijn Zwijndrechtse “column-collega” een expert op dit gebied is! Desondanks ik ben enkele boeken sociale geschiedenis uit de regio ingedoken. Dan kom je leuke dingen tegen. Bijv. dat de burgemeester onder ede mensen benoemde, die een beroep hadden, dat nu niet meer bestaat.
 
Klapwaker
Aan welke beroepen denk ik dan? Wel, in de eerste plaats aan de klapwaker. Hij moest ten overstaan van het dorpsbestuur een eed afleggen. De klapwaker of klepperman was een soort nachtwaker, die waakte over de veiligheid van de inwoners. Bij brand, oproer, overstromingen en andere grote of kleinere rampen ging hij met de klepper rond om iedereen te waarschuwen. Dit deed hij met een houten klepper die ook wel “klap” werd genoemd. Deze bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog. Ieder uur moest de klapwaker de klap driemaal slaan en luid en duidelijk aangeven hoe laat het was.
Toen had je dus al een soort eenpersoons beveiligingsbedrijfjes, zonder al die moderne elektronica, maar gewoon je ogen en oren goed open houden. Ook was hij vaak de stadsomroeper, die het nieuws omriep in het dorp of de stad. De inwoners moesten voor deze dienst (naar draagkracht) ‘’klappergeld’’ betalen. Hij werd door het dorpsbestuur aangesteld en moest de eed afleggen bij “den schout.”
 
Uit de regio kwam ik een besluit (of de ordonnantie) uit het jaar 1724(!) tegen, wat zo’n klapwachter moest doen. Daarin stond dat hij:  
in het omgaan gewapend zal zijn met een halve piek. Om 10 uur precies begint zijn wacht. Op elke lengte van 6 roeden moet hij de klap slaan en het uur uitroepen tot 4 uur incluis. Hij zal zich altijd nugeteren en bekwaam moeten houden en zich wachten voor vloeken, schelden en kwaadspreken. Hij moet letten op open deuren, vensters, op brand, dieverij, huisbraak, straatschenderij en hoog vloeden. Hij mag buitenhuis geen tabak rooken en moet voorbijgangers, die dat doen, waarschuwen en zoo nodig bekeuren”.
 
Turftonster
Zoals de naam al doet vermoeden, vulde de turftonster tonnen met turf. Turf was vroeger een belangrijke verwarmingsbron. Deze werd met schepen aangevoerd. Een turfschip was meestal een platbodemvaartuig. Aan boord van het schip werd de turf in manden gedaan door zgn. raapsters. De volle manden werden door turfhevers aan wal gedragen. Daar werden zij door de turftonsters overgeheveld in tonnen. De gage (beloning) van de tonster hing mede af van het soort turf wat getond moest worden (kort- of lange turf).
 
 Dit beroep had een lage sociale status, vaak was het een weduwe om haar geld te kunnen verdienen. Toch moest zij een eed afleggen aan de schout van de gemeente. In Ridderkerk legde ze bijv. in 1723 de eed af dat “ik gemeene lants geregtigheid volgens de ordonnantie, getrouwelijk zal mainteneeren, als correctelijk nooteeren ende opregtelijk opgeven. Dat ik ten allen tijde sal bereid zijn, ten dienste van den Burger en andere, te Tonnen, de ton driemaal schudden en overhalen en den Burger ’t zijne te geven, ende door giften of gaven mij niet laten corrumperen”.
 
Vroedvrouw
Behalve de “uitgestorven” beroepen waren er ook “bestaande” beroepen waarbij men de eed aflegde bij de schout. Ik denk dan aan bijv. de vroedvrouw. Uit een ordinantie uit de regio van 1736 moest de vroedvrouw het volgende beloven:
 “ik belove en sweere bij dezen dat ik de vrouwen die in barentsnoot sijn en daar ik bij gehaalt sal werden met alle bedenckelijke gemak en overleg mijns verstants in allen deelen de behulpsame hand sal bieden tot een gelukkige en voorspoedige verlossinge om soo veel mijn doenlijk is soo moeder als Kint in ’t leven te behouden ende dat ik de ongehuwde vrouwspersonen in ’t verlossen niet sal behulpsaam sijn voor dat sij mij onder Eede sullen verklaart hebben wie vader van haar kind is dat ik soo ’t Godt behaagt aanstonts sal komen te halen”.
 
Klare taal zou ik zeggen, zeker als het om de laatste zin gaat!
 
Hondeslager
Rond de jaarwisseling en kerst worden in regio veel kerkdiensten gehouden. Ook kwam ik een beroep tegen dat tegenwoordig niet bestaat. Dat was de hondeslager.
Heel vroeger moest het woord "hondslager" letterlijk opgevat worden. De honden, die in de kerk kwamen, moesten eruit geslagen worden. Later moest de hondeslager ordehandhavende taken ten aanzien van kinderen uitvoeren. Ook moest hij voorkomen dat er ruiten ingegooid werden. Kennelijk was het soms bar met het ingooien van ruiten. De aan hem gestelde eisen worden in de jaren 1622, 1625 en 1631 strenger.
De volgende eed werd door hem afgelegd aan het kerkbestuur: Belastende hiermede denszelven, alle onordentelijkheid omtrent den Heiligen Godsdienst ten allen tijde te weeren en soo veel doenlijk voor te koomen daar toe de honden uit de Kerke te weeren: alsmede het onordentelijk geraas en gespeel van de kinderen, in om en omtrent de voornoemde Kerk en godsdienst te beletten.
 
Rommelpotterij
Over kinderen en de jaarwisseling gesproken: een oude traditie was het verschijnsel “rommelpotterij”. Kinderen liepen bij de jaarwisseling en kerstmis in regio langs de deur om een zakcentje te krijgen. Oorspronkelijk gingen bedelmuzikanten ermee langs de deur, waarbij ze zelf hun versjes begeleidden. Of ze speelden samen met andere muzikanten.
Een rommelpot maakte je als kind zelf. Dat vergde wel enige voorbereiding. Het belangrijkste deel was een varkensblaas. Als je die had, ging je met een aantal kinderen langs de deur, je belde aan en als de deur geopend werd zei je een rijmpje op:
 
'k Heb zo lang met de rommelpot gelopen
'k Heb geen cent om een broodje te kopen
Laat het spel maar binnenkomen
Schippertje trek je zeiltje 's op
Gooi wat in m'n rommelpot
Rommelpotterij, rommetpotterij
Geef me 'n centje en dan ga 'k voorbij
 
 
Nu is dit maar één van de rijmpjes, ik kwam er veel meer tegen. Oudere lezers zullen zich deze traditie nog wel herinneren.
 
Dit waren zo wat mijmeringen uit het (verre) verleden, in een tijd waar er geen dualisme was in de gemeenteraad. In een tijd waar het dorpse karakter van Ambacht (en Zwijndrecht) nog echt “dorps” was: geen massakerken en hoge flats. Nee, het was een tijd waar de burgemeester het gewone personeel onder ede aanstelde, een tijd waar de kinderen langs de deuren gingen, niet om vuurwerk af te steken, maar liedjes voor je zongen.
 
Ja, waar is de tijd van het echte dorpse karakter en kleinschaligheid gebleven? Gelukkig is de oude dorpskerk er nog, een kerkgebouw waar vele (oud) Ambachters in hun jeugd kerkdiensten bijwoonden... En er ook nog naar kunnen terugkeren... 
 
 
 
 Gezegende kerstdagen en een gezond 2012 toegewenst!
 
 
Deel dit bericht met je vrienden!