zondag 1 november 2020

Alles over Ambacht

20
apr

'Zes boden van het raadhuis tegelijk buiten gevecht gesteld”

Dit onderstaande krantenbericht uit de Tilburgsche Courant van 31 oktober 1918 had met enkele aanpassingen de afgelopen dagen in de regionale kranten kunnen staan. De wereld is momenteel in de greep van het coronavirus. Ook onze gemeente. Maar een eeuw geleden was onze gemeente, toen nog inderdaad een dorp, ook in de ban van een pandemie. Dat was toen de Spaanse griep die met name in de tweede helft van 1918 hard toesloeg.



Als het gaat om de openbare orde, was er destijds, een vergelijkbare situatie als die van nu: de (zondags)scholen gesloten, de predikanten hielden geen catechisatie. Of toen ook de kerkdiensten niet doorgingen, weet ik niet. In elk geval was duidelijk dat enkele Ambachters aan deze griep waren overleden. Op dit moment is dat in ons dorp nog nauwelijks het geval: een tweetal Ambachters is op dit moment overleden aan corona (COVID-19). De huidige medische situatie lijkt enigszins op die van 3 augustus 1918, zoals de Dordrechtsche Courant die kort weergeeft in het onderstaande bericht: een paar -niet ernstige- gevallen van Spaanse griep.

Ook in de regio rond H.I. Ambacht heerste de Spaanse griep, bijvoorbeeld in Rotterdam. Een krantenbericht meldde dat nog veel bodes in het Rotterdamse stadhuis werden getroffen. “Gisteren waren niet minder dan 6 boden van het raadhuis tegelijk buiten gevecht gesteld”, aldus de Dordrechtsche Courant van 20 juli 1918. Dit citaat deed me denken aan een recente uitspraak van de Franse president Macron dat we "in oorlog" zijn met het coronavirus. 

Ook Papendrecht noemde de Dordrechtsche Courant van 9 oktober 1918. Vooral in de wijk Westeind heerste volgens de krant een epidemie: veel zieke kinderen op school en in gezinnen zouden zelfs “4, 5, 6 ja 7 lijders” aan de Spaanse griep zijn.

Ook Dordrecht ontkwam niet aan de gevolgen van de Spaanse griep. Op 12 februari 1918 werd namelijk in de Dordtse gemeenteraad de nieuwe gemeentesecretaris (ook toen al, zoals nu) geïnstalleerd. Toenmalig burgemeester Hillebrand Jacob Wichers verwees in zijn toespraak bij de installatie van de gemeentesecretaris mr. Poll naar zijn voorganger K. Wieringa.

“De burgemeester wees er op dat hij onder moeilijke omstandigheden heeft moeten werken en doelde daarbij op die periode toen een groot gedeelte van het personeel immobiel was door het heerschen van de Spaanse griep,” aldus het verslag in de Dordrechtsche Courant van 12 februari 1918. De Dordtse ambtenaren werden destijds blijkbaar getroffen door deze griep, want ze waren “immobiel”. Of ze toen al thuis werkte, vraag ik me af.

Je zou zeggen dat, gelet op het grote gevaar van besmetting, destijds snel werd opgetreden. We kennen nu de Veiligheidsregio, een college van vele burgemeesters, dat wordt voorgezeten door de grootste gemeente in de regio, in onze regio is dat de burgemeester van Dordrecht. Daarnaast is de Wet publieke gezondheid (Wpg) in Nederland het belangrijkste wettelijke instrument van de overheid om deze te bestrijden. Het Coronavirus viel niet onder de zogenaamde a-ziekten (de meest besmettelijke ziekten) in de Wpg. Maar dat veranderde snel en er kwam ook snel een Noodverordening voor de burgemeesters.

Was dat een eeuw geleden (in 1918-1919) ook zo? Nou, nee. Als illustratie het volgende. Het liberale kamerlid Lourens de Groot stelde op 11 december 1918 een aantal schriftelijke vragen aan de minister Aalberse, de toenmalige minister van Arbeid. Blijkbaar was de minister van Arbeid toen verantwoordelijk voor het tegengaan van besmettelijke ziekten. De Groot was destijds Kamerlid van de liberale Economische Bond (een ouderwetse variant van zeg maar D66). De beste man wilde dat de beruchte Spaanse griep ook de toenmalige Wet op de Besmettelijke Ziekten zou komen te vallen. Artikel 1 gaf de besmettelijke ziekten aan, waarop deze wet van toepassing was:

1. “Aziatische cholera”;

2. Typhus en febris typhoïdea;

3. Pokken;

4. Roodvonk;

5. Diphtheritis;

6. Mazelen;

Opmerkelijk vind ik de reactie van de minister. Een reactie die de huidige minister van Volksgezondheid zeker niet zou geven. De toenmalige minister van Arbeid vond het namelijk onnodig om de Spaanse griep ook als een besmettelijke ziekte aan te merken. Hij vond dat de ziekte “algemeen goedaardig is en leidt zonder bijkomende omstandigheden zelden tot den dood”. De hoge sterfte wordt veroorzaakt door “bijkomende longaandoeningen”. Deze zijn weer het gevolg van “secundaire besmetting met andere meer bekende ziektekiemen, die bijna geregeld bij die longaandoeningen worden gevonden.” Maar: hoe deze besmetting ontstond, was volgens de minister “evenwel nog onvoldoende bekend”.

Tenslotte wees de minister de bevolking op haar eigen verantwoordelijkheid: mijd onnodige bezoeken aan “grieplijders”, ga als gezin in quarantaine en het verplegend personeel moet, zoals het prachtig heet “op het betrachten van de grootst mogelijke zindelijkheid bedacht zijn”. Met andere woorden:  de Spaanse griep viel volgens de minister niet onder Wet op de besmettelijke ziekten.

Daarbij komt dat het besluit om besmettingen tegen te gaan en in de openbare ruimte in te grijpen destijds niet bij een college van burgemeesters lag, maar dat de burgemeester zelf de beslissing moest nemen. En daar kwam veel kritiek op. In een toelichting op de wetten over besmettelijke ziekten van 1872, 1884 en 1924 van de bekende arts, hoogleraar en politicus  prof. Piet Muntendam las ik dat de burgemeester aan het einde van de 19e eeuw de besluiten nam. De burgemeester nam zijn besluiten op basis van artsen, in de grote steden zat ook een epidemioloog in de adviseursgroep. Er was dus geen RIVM. Muntendam vond dit maar niets: deze artsen missen door “hun dagelijksche praktijk en gelegenheid de vorderingen der wetenschap op het gebied van de bacteriologie en epidemiologie bij te houden. De burgemeester moet dan ook vaak zeilen op gebrekkig compas; menig compas is defect; menig burgermeester is alles behalve een liefhebber van zeilen in hygienisch vaarwater. Zoo wordt er veel overtolliges, veel onkundigs wel, veel noodzakelijks niet gedaan.” Daarom stelt Muntendam als voorwaarde: “de groote vorderingen, die de wetenschap heeft gemaakt, stellen voor een doeltreffende en economische bestrijding van besmettelijke ziekten als onafwijsbaren eisch dat de leiding beruste bij deskundigen, die weten wat noodig, wat overtollig is”. Een RVIM was volgens prof. Muntendam dus hard nodig!

Dat deskundig advies nodig was, bewijst het onderstaande bericht. Blijkbaar had de toenmalige Zwijndrechtse burgemeester Petrus Doorn (ARP) in zijn wijsheid besloten om de scholen in  “t’ dorp” Zwijndrecht in 1918 te sluiten. Maar hij maakte een uitzondering voor het buurtschap Groote Lindt: daar was de school wel open! Schooldirecteur Erker plaatste daarom zijn noodkreet in de Dordrechtsche Courant van 28 oktober 1918:  ook in Groote Lindt waren zieke patiënten! De Ambachtse collega van Petrus Doorn was in die tijd Frederik Rutger van der Wedden. De Ambachtse burgemeester deed wat hij moest doen: hij sloot alle basisscholen!   

Deel dit bericht met je vrienden!